CARPETGALLERY

Inleiding, ontwikkeling detailhandel in Nederland

 
 

Detailhandel

   
De bakermat voor de huidige detailhandel in Europa en Nederland ligt in de late middeleeuwen (1000-1500). In die periode ontstaan de steden waarin de ambachten en handel zich gaan ontwikkelen.
De burgers van de steden en op het platteland voorzien grotendeels in eigen behoeften. Dingen waarin zij niet zelf kunnen voorzien worden gekocht op (week)markten in steden en dorpen. In deze tijd ontstaan allerlei specialisaties in beroepen die later de gilden gaan vormen. Deze gespecialiseerde beroepen maken producten die verkocht worden, eerst op markten later in winkels. In deze tijd is eigenlijk de indeling in branches ontstaan, deze indeling is tot in onze tijd grotendeels in stand gebleven. De rol van de marskramers is erg belangrijk, zij voorzien voornamelijk het platteland van allerlei gebruiksgoederen. De kruistochten, die eveneens in dit tijdvak vallen, hebben naast allerlei negatieve effecten wel het gevolg gehad dat Europa kennis maakte met de Arabische wereld. Dit leidt ertoe dat er belangstelling ontstaat voor de producten van de Perzische en de oosterse cultuur, zoals tapijten.
In de eeuwen die volgen is vooral de verbetering van handelsmogelijkheden door wegenbouw erg belangrijk. De winkelbranche ontwikkelt zich en verenigt zich in de sterk afgeschermde kramersambachten. In steden en dorpen vestigen zich op strategische plaatsen, zoals in de centra en bij uitvalswegen, winkels.
In de 17de eeuw ontwikkelt het handelswezen in Nederland tot op grote hoogte (O.I.C.), Amsterdam wordt de stapelplaats van buitenlandse goederen die vandaar worden gedistribueerd over de omringende landen. In deze tijd ontwikkelt zich ook de binnenlandse handel waarbij producten die ergens over zijn worden verhandeld in andere streken en steden. De verkooppunten in Nederland voor de meeste producten zijn dan de winkels in steden en dorpen, de markten en de rondtrekkende marskramers.
Pas na de tweede wereldoorlog ontstaan de supermarkten en de echte grootwinkelbedrijven, de warenhuizen 'waar alles te koop is'. Vroege pioniers op dit gebied zijn voor de tweede wereldoorlog vrijwel allemaal afkomstig uit Duitsland (Westfalen), bijv. Vroom & Dreesman, C&A, Kreymborg, Peek en Cloppenburg, Metz & Co enz.
 marskramer  

De Perzenwinkel

   
 
Het heeft heel lang geduurd eer in Nederland zich winkels vestigen die Perzische en oosterse tapijten verkopen. Tot laat in de 19de eeuw was de Nederlandse klant aangewezen op handelaren en op bedrijven in het buitenland. Tapijten worden per schip aangevoerd over het algemeen in Amsterdam. Ze werden of bij opbod of tegen taxatieprijs verkocht door makelaars. Dit gebeurde op het afgemeerde schip ofwel in een opslagruimte aan de wal. Deze verkopingen werden ddor de makelaars aangekondigd in de verschillende in ons land verschijnende kranten. Vanaf het begin van de 20e eeuw zijn de ontwikkelingen stormachtig wat uiteindelijk na de monsterachtige groei van het aantal winkels in de jaren 1960-1980 resulteert in de scherpe daling van de laatste decennia. De opzet en het karakter van de winkel in Perzische tapijten heeft zich gedurende de gehele ontwikkeling van 100 jaar vrijwel niet gewijzigd.
  1. De winkel is showroom, verkoopruimte en opslagruimte;
  2. de voorraden zijn groot, de grote stapels belemmeren het verkoopproces;
  3. de klant is meestal onwetend en daardoor achterdochtig;
  4. de verkooptechniek is persoonlijk en sterk verbaal;
  5. kortingen, aanbiedingen en uitverkopen zijn schijnbaar de enige methode om voldoende omzet te garanderen;
  6. voorlichting en achtergrondinformatie wordt toegespitst op het verwezenlijken van een aankoop;
  7. investeringen en samenwerking om het product bekend en geliefd te maken ontbreken.

Het is kenmerkend dat in 100 jaar er slechts enkele niet commerciele tentooonstellingen (1948 en 1951) zijn geweest. De initiatiefneemster "De Vereeniging voor Oostersche Tapijtkunde" ging enkele jaren later ter ziele. In de loop der jaren is verschillende keren getracht een vereniging of stichting op te richten maar dat heeft nooit een duurzaam resultaat gehad.

Een aardig citaat uit het boekje Detailhandel (H.Ph Hondelink, 1993) over de gewoonten van de detailhandel in de 19de eeuw. Veel van deze gewoonten, die als voornaamste remmingen worden gezien om te komen tot een moderne bedrijfsvoering, zijn tegenwoordig in de Perzische tapijthandel nog steeds gebruikelijk.
  1.  "Zo was het geven van zichtzendingen een algemeen gebruik. Hierdoor was een belangrijk deel van de collectie permanent buitenshuis en bleef de keus in de winkels beperkt. De artikelen welke in de winkel achterbleven werden, om vuil worden te voorkomen, verpakt en weggeborgen.
  2.  Vaste en open prijzen waren in die tijd ondenkbaar: de winkelier woog de klant als het ware naar de behoefte aan het artikel en naar zijn veronderstelde koopkracht. Het systeem van loven en bieden werd dan ook veelal toegepast.
  3. In verband met het destijds zeer geringe (inter)lokale verkeer zal het duidelijk zijn dat de detaillisten voor de meeste verkopen op klanten uit de omliggende buurten waren aangewezen en zij hadden meestal een persoonlijke band met hun afnemers. Het verkoopproces was dan ook persoonsgericht, waarbij de nadruk lag op het geven van een goed advies aan de klant. Met de bedoeling om een vaste klantenkring op te bouwen werd er door de winkelier op ruime schaal en op lange termijn krediet verleend."