| |
NRC 21-11 1929
terug
Op vragen van het Tweede Kamerlid I.H.J. Vos
- Is het den minister bekend, dat ten overstaan van of door notarissen en deurwaarders, veilingen van Perzische kleden worden gehouden onder misleidende en onware voorgevens, als zouden namelijk deze kleden verkocht worden naar aanleiding van faillissementen van buitenlandse huizen, liquidatie, ŕ tout prix, enz.?
- Is het den minister bekend, dat deze handelwijze tot groot nadeel van bona fide kooplieden in Perzische kleden leidt?
- Is de minister bereid, maatregelen te nemen, ten einde de gesignaleerde misbruiken tegen te gaan?
- Is het den minister bekend, dat de officier van justitie te Amsterdam ter zake een onderzoek heeft ingesteld?
- Zo ja. Is de minister dan bereid, den uitslag van dit onderzoek ter kennis van de Kamer te brengen?
|
heeft de minister van justitie geantwoord:
Ad 1. In het begin van het vorige jaar Is ondergetekende’s aandacht gevestigd bijzonderlijk op een te Amsterdam gehouden openbare verkoping van Perzische tapijten, waarbij misleidende mededelingen waren gedaan om publiek te trekken. Een onderzoek is ingesteld en de betreffende handelaar heeft toen verklaard zich in de toekomst van bedoelde onware mededelingen te zullen onthouden. Kort geleden bereikte den ondergetekende een nieuwe klacht naar aanleiding van in Brabant te houden verkopingen. Zooveel doenlijk is toen nog door advertenties door den notaris openbaar gemaakt, dat de verkoping niet geschiedde ŕ tout prix, doch tegen elk aannemelijk bod, en dat de veiling niet was een liquidatieveiling. Den ondergetekende is thans wel gebleken, dat zich meer gevallen voordoen.
Ad 2. De ondergetekende kan zich voorstellen, dat door de bedoelde praktijken de bonafide handelaren schade lijden.
Ad 3. Maatregelen zullen worden genomen. In de eerste plaats is hierbij te denken aan aanschrijving of aanzegging aan de deurwaarders, terwijl, wat de notarissen aangaat, de tussenkornst van de Kamers van Toezicht is in te roepen.
Ad 4. en 5. Den ondergetekende is slechts bekend, dat de officier van Justitie te Amsterdam in de zaak Is gemoeid naar aanleiding van het geval, hierboven onder 1. In de eerste plaats bedoelt, met het daarbij vermelde resultaat. Wellicht wordt echter beide vragen gedoeld op een klacht over twee deurwaarders, de vorige maand bij den president der Amsterdamse rechtbank ingediend, waarvan het gevolg is geweest dat die deurwaarders door den president zijn onderhouden en hebben toegezegd de bedoelde praktijken in het vervolg te zullen vermijden.
|
|