CARPETGALLERY

Handel in Perzische tapijten voor 1850

 
 

Oost-Indische Compagnie (VOC)

Home            terug  
Tot het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1581 was de handel op Perzië en Turkije volledig in Italiaanse en Portugese handen. Aan het begin van de 17de eeuw onderneemt Engeland pogingen om handel te bedrijven in India en Perzië. De handel met Perzië werd ondernomen over het vasteland via Rusland. Later worden ook pogingen gedaan per schip via Kaap de Goede Hoop. Door allerlei nationale verwikkelingen en onvoldoende vertrouwen van de investeerders komt het Engelse handelssysteem in die tijd niet goed van de grond. In Nederland ontstaat  echter de Vereenigde Oost-Indische  Compagnie (1602 - 1798). In 1623 krijgt  de VOC een vestiging in Perzië en wordt handel gedreven met andere delen van Azië en met het thuisland. Gedurende deze jaren worden bescheiden aantallen tapijten verhandeld, de kopers zijn de betere stand, de adel, het koningshuis en in mindere mate de Rooms Katholiek kerk. Met name de RK-kerk heeft altijd veel tapijten gekocht maar zij kocht haar goederen voornamelijk in het Roomse Italië en Portugal.
 Oost-Indische Compagnie (VOC)  
 
 

Enige stukjes uit de archieven van de VOC

bron: Dunlop, H., Bronnen tot de geschiedenis der Oostindische Compagnie in Perzië, eerste deel 1611-1638, 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1930  
  Over het algemeen was de handel in tapijten voor de VOC van zeer ondergeschikt belang. In de twee onderzochte periodes(1611-1638 en 1765-1826) is slechts sporadisch iets terug te vinden en het gaat altijd over geringe aantallen. In de 18de eeuw werd de postie van de VOC en de handel op Perzië steeds zwakker en in 1758 wordt de laatste vestiging in Perzië opgeheven. Na de vierde Engelse oorlog (1780-1784) is de omvang van de Hollandse handel gedecimeerd en vrijwel tot nul teruggebracht. In deze tijd wordt de rol die Amsterdam heeft als stapelplaats van producten uit de oost overgedragen aan Hamburg. De aanvoerhavens voor oosterse tapijten zijn dan ook London en via Amerikaanse vrachtvaarders Hamburg.    
 

Van bewindhebbers Amsterdam aan het kantoor Suratte, december 1624

De contanten, die met genoemde schepen worden verzonden, bestaan uit : f 240.000 in Hongaarsche ("Ongersche") dukaten;  " 160.000 in Rijksdaalders;  " 100.000 in Realen van achten;  ,,100.000 in Hollandsche daalders. Zij hebben dit aan Visnich geschreven en hem belast hun geregeld via Aleppo te berichten over de zaken. De onzen moeten trachten, met de Engelschen, al zijn zij ook onze concurrenten, op goeden voet te blijven. De handel van Suratte en Perzië is de beste, die de Engelschen hebben. Naar Batavia zenden zij maar twee kleine schepen, maar naar Suratte vier groote, die in Februari  zullen vertrekken, n.l. de Elisabeth, Lion, Jonas en nog een vierde. De bewindhebbers weten nog niet wat voor goederen daarmede gaan. Zij verlangen 500 Perzische tapijten, voor tafelkleeden, van 4 en 5 el lang, en 40 stuks van 7 a 8 ellen, de breedte 21/2 a 31/2 ellen, en van goede qualiteit. Als het Hindostansche fabrikaat beter en goedkooper is, moet men daarvan 500 stuks zenden, of 100 stuks als proef, en dan nog 300 uit Perzië, te zamen 900 stuks.
 
Zij, dat zijn de bewindhebbers, ondanks deze "bestelling" zien we op de bevrachtingslijsten nooit grote aantallen tapijten vermeld. Wat daarvan de oorzaak is is onbekend.

Van Huybert Visnich, Gamron, aan bewindhebbers, Amsterdam, 9 februari 1625

Met de tegenwoordige schepen vertreckt van hier den ambassadeur, Mousa Beyck genaemt, afgevaerdicht van Sijn Magt. aen Hare Hoog Mo. Is een man van goet verstant ende reputatie, twyfele niet ofte zal aldaer naer sijn qualiteyt bejegent worden. Brenght hondert balen syde voor reeckeninge van den Coninck mede, alsmede eenige tapyten, goude laeckenen ende turkoisen tot schenkagie. Heeft in sijn geselschap éen Nederlander, den Coninck alhier eenige jaren voor schilder gedient hebbende, een jongman van goeden naeme, ............................

Het betreft hier een gezantschap waarin de Coninck Shah Abbas de Grote om steun tegen de Turken verzoekt.

 
 

Instructie voor Michiel van der Trille, 4 november 1633

UL. sal ons van Persia met de eerste gelegentheyt laeten toecomen twintich ofte vijf en twintich goude alcativen, om tot monsters naer 't Vaderlandt te seynden ende eenige tot geschencken in Indiën te gebruycken. Wy verstaen dat deselve meest in Spahan gemaeckt werden alsmede in Jeest, die ordinaris beter vallen als die van Spahan; werden vercocht by de ellen viercant, die met een Hollandsche elle overeencompt ende gelden ordinaris vijf, ses a acht ory  de elle, naerdatter veele of weynich gouts in gewrocht is. Versorgt, dat die met goede kennisse mogen werden ingecocht, alsoo den goeden ende verstandigen incoop het beste voordeel geven can. Actum in 't Gasteel Batavia desen 4cn Novembris anno 1633.

Alcativen zijn tapijten, deze moeten zijn waarin gouddraad is verwerkt.
Het woord alcatyf(ven) is afgeleid van de stad Al Qatif aan de perzische Golf.

Van Nicalaes Jacobsz., Overschie, Ispahan, aan bewindhebbers, Amsterdam, 9 augustus 1634

...................De Koning bemoeit er zich niet mede en is te Tabriz, waarheen Overschie, zelf ziek zijnde, den tolk zal zenden, om de zaken te bespreken. Deze kan met een kleinere schenkage volstaan dan Overschie zelf.
Van cocons zal hij een klein partijtje als proef zenden. Met
goud doorstikte tapijten ("gouden alcatyven") zal hij volgens order van den G. G. koopen en 25 stuks verschepen, ook eenige paarlen als proef. Hij heeft 3000 toman in geld, maar kan geen zijde koopen, daar dit verboden is. De Armeniers zenden nu hun zijde naar Aleppo. Zij zouden veelliever hun zijde aan de Compagnie verkoopen "want worden binnen Aleppo en ......................

De Koning is in dit geval de shah, Safi (1629-1642).

 
 

Memotie van de op de Potugeezen in de Perzische Golf buitgemaakte goederen, (waarschijnlijk januari 1636)

2 goude oorhangers, yder met 4 platte paerlen!
1 ditto met 2 slechte steentiens. 
1 Augnus Deo coper verguldt. 
1dittoin'tgoudtgeseth 
21/2 'ii; amber negroof te swarten amber, in 't doosken bij de~ paerlen ingedaen, ende 't doosien beseegelt, den schip. per Pieter Jansen geïntregeert. 
4013 'ii; soet hout in 65 sacken, gewaerdeert tot. f 345 : I: 5 
2 packies no. A, B, daerilme 
21 stucx Persiaense alca tiven  getacxeert t' samen. " 591 : 6 : - 

Uit dit soort berichtgeving blijkt overduidelijk dat de VOC niet alleen een handelsfirma was maar ook een door de Nederlandse Staat geïnitieerde macht. Er werd oorlog gevoerd en buit gemaakt.

Factuur over 500 balen zijde, 106 stuks Chagrijn leder, eenige drogerijen, tapijten, laken en fluweel, verzonden naar Gamron ter verscheping naar Batavia, Ispahan, 5 februari 1637

.....................................1 kist, inhoudende. 106 stuks chagrijnleer (52 zwart, 25 rood, 15 oranje, 6 groen, 5 geel, 3 blauw) " 623 : 16 : - 
2 kisten diverse drogerijen. " 974 : 2 : - 
5 stuks met goud doorweven tapijten.  1.608: 10 : - 
20 stuks goudlaken ,,3.337:-:- 
20 stuks fluweel in diversche..................................................................


De prijs van 1608 gulden en 10 stuivers zegt weinig omdat er niets over de afmetingen wordt gemeld.